
donderdag 24 februari 2011
Het was de eerste keer dat ik ze zag. Zondag.
Daar stonden ze, wachtend op de bus bij het station.
Twee figuren die ik nog nooit eerder had gezien. Twee personen die niet op de juiste plek leken te zijn. Of het juiste tijdstip.
Voor maanden had ik deze bus genomen en ik kende de sleur inmiddels.
De buschauffeur begroeten, direct naar mijn favoriete zithoekje toelopen, zitten en vervolgens staren naar de mensen die nog in moesten stappen.
De bus werd altijd gevuld door dezelfde mensen.
Nooit was er een ander persoon die instapte, nooit. Niet hier in dit kleine dorpje.
De oude vrouw met het hondje. De jongen met de viool.
En daar kwamen zij de bus in. Donkere nette pakken, een koffertje in hun hand. Geen strippenkaart natuurlijk. Terwijl de een geld zocht in zijn binnenzak, keek de ander de bus rond. Hij had een zonnebril op. Maar ik wist zeker dat hij me aankeek.
Ik keek weg en zag buiten een ballon wegzweven. Maar nergens een huilend kind. Toen ik terugkeek, stonden ze daar ineens. Ze gingen op het bankje voor me zitten. Ik pakte mijn Bijbel en deed alsof ik las. Ik luisterde, maar ze zwegen minutenlang. Totdat de een naar de ander knikte. Hij drukte op het knopje en de rode lamp brandde.
Mijn ogen werden groot. Het was alsof ik in een misdaadfilm terecht was gekomen.
Daar stonden ze, wachtend op de bus bij het station.
Twee figuren die ik nog nooit eerder had gezien. Twee personen die niet op de juiste plek leken te zijn. Of het juiste tijdstip.
Voor maanden had ik deze bus genomen en ik kende de sleur inmiddels.
De buschauffeur begroeten, direct naar mijn favoriete zithoekje toelopen, zitten en vervolgens staren naar de mensen die nog in moesten stappen.
De bus werd altijd gevuld door dezelfde mensen.
Nooit was er een ander persoon die instapte, nooit. Niet hier in dit kleine dorpje.
De oude vrouw met het hondje. De jongen met de viool.
En daar kwamen zij de bus in. Donkere nette pakken, een koffertje in hun hand. Geen strippenkaart natuurlijk. Terwijl de een geld zocht in zijn binnenzak, keek de ander de bus rond. Hij had een zonnebril op. Maar ik wist zeker dat hij me aankeek.
Ik keek weg en zag buiten een ballon wegzweven. Maar nergens een huilend kind. Toen ik terugkeek, stonden ze daar ineens. Ze gingen op het bankje voor me zitten. Ik pakte mijn Bijbel en deed alsof ik las. Ik luisterde, maar ze zwegen minutenlang. Totdat de een naar de ander knikte. Hij drukte op het knopje en de rode lamp brandde.
Mijn ogen werden groot. Het was alsof ik in een misdaadfilm terecht was gekomen.
woensdag 2 februari 2011
Abonneren op:
Reacties (Atom)
